Over casemanagers (7/7) Schadelastbeheersing, een besmette term

Vrijwel dagelijks spreek ik casemanagers: professionals die zich bezighouden met het proces dat ontstaat wanneer een medewerker verzuimt. Om jullie mee te nemen in deze fascinerende wereld, ben ik gestart met een serie blogs over casemanagers. Over hun rol en mogelijke meerwaarde, de verschillende expertises en nog veel meer.

Vandaag staat schadelastbeheersing centraal. Een term die vaak weerstand oproept. Een samenstelling van een aantal woorden, die in deze vorm voer zijn voor discussie. Zonder uitleg is het namelijk een term die in de context van verzuim en re-integratie nogal gevoelig ligt. Die de wenkbrauwen doet fronsen en soms zelfs angstvallig gemeden wordt. Verkeerd geïnterpreteerd kan dit namelijk leiden tot irritatie of conflict. En toch denk ik dat juist deze term de lading dekt voor het werk dat casemanagers dagelijks doen. Voor de manier ook, waarop zij hun rol van inzetbaarheidsspecialist optimaal kunnen invullen.

De oorsprong
De term schadelastbeheersing fascineert me al langer. Aan de ene kant word je er voor mijn gevoel mee doodgegooid, terwijl er direct een bepaalde smet omheen hangt. Dat roept vragen op en triggert mijn nieuwsgierigheid. Tijd dus voor een ‘deepdive’. En waar start je dan? Google natuurlijk.

Wat direct opvalt, is dat de eerste vijf pagina’s vrijwel geheel bestaan uit resultaten van arbodienstverleners en verzekeraars. In totaal zijn er 8.290 resultaten. En dat terwijl schadelastbeheersing eigenlijk geen officieel woord in de Nederlandse taal is. Probeer het maar eens te vinden in de Dikke van Dale. Hoe kan het dat dit desondanks een zo ingeburgerd begrip is geworden? Wat is de relatie met verzuim? En, belangrijker nog, waarom heeft het woord zo’n negatieve lading voor velen?

Eerst maar eens terug naar het begin. Waar is de term schadelastbeheersing ontstaan? De eerste keer dat ik het woord online terugvind, is in een open brief van bedrijfsarts Steven Hekkert. Deze werd op 22 oktober 2001 gepubliceerd in 'Medisch contact', een tijdschrift gericht op artsen en andere professionals in de gezondheidszorg. Hoewel inmiddels enigszins gedateerd, is de brief van Hekkert nog altijd interessant. Zo schetst hij bijvoorbeeld dat arbeidsongeschiktheid in meer dan de helft van de gevallen geen medische oorzaak kent. Wat dat betreft lijkt in twintig jaar tijd niet zoveel veranderd. Maar ook behalve dat punt biedt de open brief voldoende voer voor discussie. Bijna een blog op zich waardig.

Nu verwijst Hekkert in zijn schrijven naar een tweetal wetten. Het zou dus goed kunnen dat onze overheid al eerder deze term introduceerde. Waarschijnlijk volgde dat uit de discussie over de noodzaak om de ‘schadelast’ als gevolg van arbeidsongeschiktheid terug te brengen. Die werd immers sinds begin jaren negentig al gevoerd en had betrekking op de falende Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Het aantal mensen dat een daaraan gerelateerde uitkering ontving, groeide al jaren en er leek geen licht aan het eind van de tunnel. Polderend Nederland had er een kleine vijftien jaar voor nodig, maar uiteindelijk leidde die discussie tot concrete hervormingen. Met de invoering van de Wet Verbetering Poortwachter (WVP) in 2002 en de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) in 2005, werd schadelastbeheersing vertaald naar ons burgerlijk wetboek.

Vraag één lijkt daarmee beantwoord. Los van hoe we denken over het ‘succes’ van deze wetswijzigingen, de ‘credits’ voor het bedenken van de term schadelastbeheersing gaan naar de Nederlandse regering. En, gezien de context waarin dit alles plaatsvond, levert dat ons direct ook het antwoord op voor vraag twee: arbeidsongeschiktheid en verzuim werden (en worden) stelselmatig gekoppeld aan de schadelast die hieruit volgt.

In feite is dan ook vraag drie getackeld. En, los daarvan, het onderdeel ‘last’ kent natuurlijk per definitie een negatieve lading. Met mijn achternaam weet ik daar alles van. En toch durf ik te stellen dat deze negatieve context onterecht is. Juist in relatie tot verzuim en casemanagement.

De misvatting
Waar gaat het dan precies mis? Om te beginnen wordt schadelastbeheersing met name vanuit verzekeraar, werkgever of overheid bekeken en bedreven. Zo kwam ik onlangs een advertentie ‘Masterclass Ziektewet’ tegen op LinkedIn. De ondertitel van die opleiding: ‘Ziek uit dienst op kosten van de werkgever’. Verder werd in de tekst melding gemaakt van het groeiende aantal mensen dat ‘gebruik maakt van de Ziektewet’. Met als toevoeging dat de kosten daarvan volledig voor rekening van de oud-werkgever komen. ‘Ook al heeft iemand maar één maand bij jouw bedrijf gewerkt!’ Tja.

Deze focus op het kostenplaatje rond verzuim komt als gezegd voort uit wetgeving en de financiële prikkels die de overheid via die weg inzet om eenieder in beweging te krijgen. Werkgevers ervaren daardoor nagenoeg direct de gevolgen van verzuim. Niet alleen op de werkvloer, maar ook doordat de WVP hen vanaf de eerste ziektedag met allerlei verplichtingen belast. En als daaraan niet voldoende gehoor wordt gegeven, hangt bovendien de dreiging van een loonsanctie boven het hoofd.

Dat verzuim continu wordt gerelateerd aan de schade die werkgevers, verzekeraars en overheid hierdoor leiden, kan bij de betreffende medewerkers zorgen voor een idee van schuld. Of juist een verongelijkt gevoel. Er kan zelfs een ‘zij tegen mij’-situatie ontstaan. Dat jij niet werkt kost geld en zorgt er ook nog eens voor dat anderen harder moeten werken. Eigenlijk ben je maar lastig. Een blok aan het been voor je werkgever en de maatschappij. Bovendien voel je als verzuimende medewerker meestal niet direct financiële gevolgen. Mede natuurlijk, omdat je op dat moment wel wat anders aan je hoofd hebt.

Als arbeidsongeschikte werknemer krijg je op zeker moment te maken met een casemanager. Deze persoon spoort jou aan optimaal te gaan voor je inzetbaarheidsmogelijkheden. Soms gaat dat gepaard met de uitleg dat een werkgever jouw re-integratie wel moet bevorderen, al was het maar om een loonsanctie te voorkomen. Minder tactvolle casemanagers wijzen zelfs weleens simpelweg op de WVP en de verplichtingen die daaruit volgen. Maar wat nu als de bedrijfsarts heeft gezegd dat je het vooral een tijdje rustig aan moest doen? En jij eigenlijk ook wel toe bent aan even rust? Heb jij je ook niet jarenlang in allerlei bochten gewrongen om je werk zo goed mogelijk te doen? Heb je dan niet recht op een paar weekjes niets? Wie is die casemanager om jou te vertellen wat je allemaal kunt doen ondanks je beperkingen! Snapt diegene eigenlijk wel hoe zwaar je het hebt? Afijn, je schiet dus in de weerstand. Dat het gesprek hierna vastloopt is een logisch gevolg. In het meest erge geval resulteert dit in langdurig verzuim, terwijl er medisch gezien eigenlijk niets meer met je aan de hand is. 

Dat kan anders. En hoewel dit scenario wellicht alles ietwat zwaar aanzet, zijn jullie vast met me eens dat de negatieve lading van de term schadelastbeheersing in dit alles een rol speelt. Onze overheid draagt trouwens nog dagelijks bij aan dat beeld, door (voorgestelde) wijzigingen in de sociale-wetgeving altijd te koppelen aan de daarmee beoogde bezuinigingen. En ook vanuit casemanagers zelf worden, bij monde van het Register Specialistisch Casemanagement bijvoorbeeld, de gemaakte kosten vaak als hét argument voor regievoering op verzuim aangevoerd. Het is dus een illusie om te denken dat we het woord nog kunnen schrappen uit ons vocabulaire. Wat we wel kunnen veranderen? Onze interpretatie ervan.

Een andere benadering
Laten we eens teruggaan naar de essentie: verzuim levert schade op. Overheid, werkgevers, verzekeraars; allemaal hebben ze last van verzuim. Degene echter die hiervan de meeste hinder ondervindt, en in dit rijtje steevast wordt vergeten, is natuurlijk de verzuimende medewerker zelf. Werk geeft mensen de kans zichzelf te ontwikkelen, erkenning te krijgen en sociaal actief te zijn. Nog los van de financiële win van werken die er uiteraard ook is. Werkende mensen zijn simpelweg gelukkiger. De beste vorm van sociale zekerheid is dan ook werk.

Wat nu als we schadelastbeheersing eens vanuit dat perspectief beschouwen. De persoon die dit betreft centraal stellen, inclusief de financiële situatie en de rol die werk inneemt in het verdere leven. Hoe zorgen we er samen voor dat je zo snel mogelijk weer daar komt waar je wilt zijn? Wat als het niet van een terugkeer naar de huidige functie kan komen? En, ook niet onbelangrijk, wat zijn de gevolgen waarmee die persoon zelf te maken krijgt als het verzuim voortduurt? Denk aan bijvoorbeeld het verschil qua inkomen tussen een loongerelateerde WIA-uitkering en een vervolguitkering wanneer je onvoldoende gebruik maakt van je restverdiencapaciteit. Wellicht klinkt dat als toekomstmuziek, maar is het niet beter een dergelijk scenario nu al te tackelen? En van daaruit ook nu al gerichte acties in te zetten voor ander werk, als dat tot de opties behoort? Een benadering dus die gericht is op het individu en die vraagt om een blik die verder gaat dan ‘enkel’ de WVP-verplichtingen. 

In dat kader vind ik het reuze interessant dat drie van onze casemanagers nu aan de slag zijn bij verzekeraars waar zij claims van arbeidsongeschikte ondernemers behandelen. Zzp’ers dus, die daar een arbeidsongeschiktheidsverzekering (AOV) hebben afgesloten. Bij deze re-integratietrajecten is geen sprake is van een wettelijk kader dat bepaalt wat gedaan moet worden. Wel zijn er natuurlijk wederzijdse belangen. Vanuit de verzekeraar verschilt dat niet veel van dat wat speelt bij collectieve verzuimverzekeringen. Voor een ondernemer echter, is de impact van arbeidsongeschikt zijn misschien wel groter dan geldt voor werkgevers en werknemers. Hun onderneming kan bijvoorbeeld hun levenswerk zijn, of ‘gewoon’ een hobby waarmee geld wordt verdiend. In elk geval heeft niet werken direct gevolgen op meerdere gebieden.

De gemiddelde ondernemer wil vaak niets liever dan zijn baan weer kunnen uitoefenen. Een AOV is daarom niet enkel een middel om de financiële gevolgen van verzuim te dekken. De meerwaarde zit juist in de ondersteuning die een verzekeraar biedt bij het re-integratietraject. Denk aan arbeidsdeskundig onderzoek om te bepalen wat nodig is om weer aan het werk te kunnen, zoals het aanpassen van de werkomgeving. Soms is de verzekeraar dan ook bereid daarin mede te investeren. Vanuit het gedeelde financiële belang geen gekke gedachte. Er wordt zo voor beide partijen aan schadelastbeheersing gedaan. Bovendien is een dergelijke oplossing vaak duurzaam, wat vertrouwen geeft voor de toekomst.

Collectief of individueel
Het verschil met casemanagement op collectief niveau zit dus enerzijds aan de kant van de ‘verzuimer’. Een ondernemer wil ondernemen. Ten koste van praktisch alles terugkeren naar zijn werk. Dat geldt niet voor elke werknemer. Anderzijds mag je verwachten dat ook iemand in loondienst niets liever wil dan zijn vak weer uitoefenen. En als dat niet het geval is, biedt dat aanleiding voor een heel ander gesprek. Zit diegene dan bijvoorbeeld wel op zijn plek? En spelen er geen heel andere zaken dan de medische aanleiding om arbeidsongeschikt te zijn? 

Een tweede verschil betreft de regelingen waarop werknemers soms aanspraak kunnen maken. Een ondernemer is vaak op zichzelf aangewezen. Medewerkers kunnen niet alleen terugvallen op hun werkgever, maar soms ook nog op cao-afspraken, aanvullende arbeidsvoorwaarden en werknemersverzekeringen die voor hen zijn afgesloten. Allemaal hartstikke leuk en aardig, maar niet per definitie re-integratiebevorderend. Want, laten we eerlijk zijn, vrijwel iedereen werkt toch ook vanwege de financiële voordelen die dat oplevert. Maar dat is stof voor een andere blog.

Dan het derde, en volgens mij meest relevante, verschil in de manier waarop dossiers van arbeidsongeschikte ondernemers en werknemers door verzekeraars worden aangepakt. Dat zit deels in de positie van de verzekeraar. De re-integratie van mensen in loondienst wordt immers vormgegeven door de werkgever en arbodienst. Het contact met ondernemers daarentegen, verloopt rechtstreeks. Belangrijker echter nog, is dat bij deze casuïstiek vanuit de verzekeraar een deskundigenteam wordt gevormd. Dat team bestaat uit de casemanager, soms ook wel claimbehandelaar genoemd, een arbeidsdeskundige en de medisch adviseur of verzekeringsarts. In deze setting wordt ieder afzonderlijk dossier behandeld, zodat per situatie de juiste strategie kan worden gekozen. Hoe ondersteunen we deze ondernemer het best en op welke manier maken we zijn re-integratie duurzaam? Een kosten-batenanalyse waarin ieders belang wordt gediend is dan snel gemaakt.

Bij werknemersverzuim ontbreekt deze aandacht voor individuele dossiers vaak. Het gaat om het grotere plaatje, de totale schadelast. Ook de WVP helpt niet altijd mee. De beoogde re-integratie tijdens de eerste twee ziektejaren staat hierin procesmatig weergegeven. Op zich goed, maar daarin schuilt ook een gevaar. Zo hoeft een arbeidsdeskundige keuring bijvoorbeeld pas aan het eind van het eerste ziektejaar te worden ingezet, terwijl dit soms al veel eerder een (gedeeltelijke) werkhervatting kan opleveren. Of juist kan uitsluiten. Mogelijk waren casemanager, bedrijfsarts en arbeidsdeskundige in gezamenlijk overleg al na het eerste bezoek aan de bedrijfsarts tot de juiste interventie gekomen, maar helaas verloopt hun onderlinge communicatie vaak op afstand. In plaats van met elkaar te overleggen, wordt een casemanager bovendien geacht de bedrijfsarts met name ‘kritisch’ te bevragen. In hoeverre is dan sprake van samenwerking. Kan je re-integratie met die benadering überhaupt wel optimaal vormgeven.

De oplossing?
In dat kader biedt taakdelegatie wellicht opties. Of nu sprake is van strikte taakscheiding in de rol van proces- of taakgelegeerde casemanager, er is in elk geval een inzetbaarheidsspecialist die rechtstreeks in contact staat met de medewerker. Niet elke bedrijfsarts lijkt even bedreven te zijn in het denken in mogelijkheden en, waar mogelijk, het demedicaliseren van de problematiek. Echter blijft ook in deze situatie staan dat de meeste winst te behalen is in individuele aandacht voor verzuimdossiers. Pas wanneer we beseffen dat ieder geval op zich staat, kunnen we komen tot optimale schadelastbeheersing voor alle betrokkenen.

Ik realiseer me dat ik nog heel veel punten openlaat, wellicht zelfs nieuwe vragen bij je oproep. Stel die alsjeblieft in reactie op deze blog, of draag jouw oplossing aan. Mogelijk kan ik hier dan later in deze serie op terugkomen. Voor nu hoop ik dat je snapt hoe het komt dat schadelastbeheersing een beladen term is en waarom ik ervoor pleit daar met elkaar verandering in te brengen.

''Daarnaast geldt dat iemand naar huis sturen en met rust laten niet de meest handige houding kan zijn voor de werknemer zelf. Bijvoorbeeld als sprake is van niet medisch verzuim. Zo iemand wordt dan wellicht bevestigd in zijn gevoel.''

''Momenteel loopt het proces spaak door onduidelijkheid. Bedrijfsartsen die niet kunnen vertrouwen op heldere kaders en Casemanagers die tijdens opleidingen moeten afleren wat ze zich in de praktijk eigen hebben gemaakt.''

''Je zou kunnen denken dat elke Casemanager in feite hetzelfde werk doet. Dat het niet uitmaakt of je persoon A of B een dossier laat oppakken, als beiden hetzelfde diploma op hun cv hebben staan. Niets is echter minder waar.''

''Met de groei en ontwikkeling van het vakgebied, denk ik dat onderscheidend vermogen steeds belangrijker wordt. Er is een vrijwel continue aanwas van opgeleide casemanagers, van wie niet iedereen het vak ook daadwerkelijk zal gaan uitoefenen.''

''De praktijk wijst uit dat niet elke organisatie geschikt is om conform dit model te werken. Of zouden de problemen in de zorg, het onderwijs en de politie – organisaties die veelal werken volgens het ERM – toeval zijn?''

''De tegenstrijdige geluiden hierover vanuit de twee registers, maken dat alles alleen nog maar ingewikkelder. Dat werkt niet alleen verwarrend, maar maakt ook dat een casemanager soms voor lastige situaties komt te staan.''

Bekijk vacatures